Algemene voorwaarden: schadevergoeding ondanks oneerlijk beding?

De rechtbank Amsterdam heeft op 21 mei 2021 een interessante uitspraak gedaan over de vraag of een verhuurder schadevergoeding wegens verboden onderhuur mag vorderen, als sprake is van een oneerlijk beding dat buiten toepassing wordt gelaten.

Het betrof een geschil tussen een verhuurder van een woning en haar huurder, waarbij de verhuurder schadevergoeding vorderde wegens verboden onderhuur, in de vorm van winstafdracht ex artikel 6:104 Burgerlijk Wetboek. In de huurovereenkomst en bijbehorende algemene bepalingen waren (boete)bedingen opgenomen terzake de verboden onderhuur. Verhuurder beroept zich daar niet op, maar vordert enkel winstafdracht ex artikel 6:104 BW en laat de (boete)bedingen ongemoeid.

 

De kantonrechter oordeelt dat de Dexia-uitspraken die het Europees Hof op 27 januari 2021 deed op huurovereenkomsten van toepassing zijn. In die uitspraken is onder meer overwogen dat een verkoper die de consument een beding heeft opgelegd dat door de nationale rechter oneerlijk is verklaard, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest, De vraag is of daar in de onderhavige zaak sprake van is. Volgens de kantonrechter is dat het geval. De bedingen in deze huurovereenkomst zijn volgens de kantonrechter oneerlijk, nu sprake is van een “aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de huurder. Zo was er niet over de bedingen onderhandeld en bevatte het boetebeding geen maximum.

Hoewel de verhuurder geen beroep op de (oneerlijk geoordeelde) bedingen had gedaan, kan het feit dat de bedingen niet tot uitvoering zijn gebracht op zichzelf de rechter niet verhinderen alle passende consequenties aan het oneerlijke karakter van de bedingen te verbinden, aldus de kantonrechter. Doel en strekking van de Richtlijn is namelijk niet zozeer dat in rechte geen beroep op oneerlijke bedingen moet worden gedaan, maar dat oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten verdwijnen. Als – zoals verhuurder had betoogd – het aan de professionele gebruiker van de oneerlijke bedingen zou worden overgelaten er in rechte geen beroep op te doen, is volgens de kantonrechter onvoldoende sprake van een effectieve en doeltreffende sanctie. Nu de bedingen door de kantonrechter als oneerlijk worden beoordeeld, kan de verhuurder op grond van de Dexia-arresten ook geen aanspraak maken op artikel 6:104 BW. Terugvallen daarop zou volgens de kantonrechter immers het afschrikwekkende karakter van de richtlijn ernstig verminderen. Een oneerlijk beding wordt dan vervangen door de wettelijke schadevergoeding. Omdat dit volgens de kantonrechter in geval van een huurovereenkomst niet anders geldt dan in het geval van een overeenkomst met een consument, hebben de Dexia-arresten een bredere strekking. De vordering van de verhuurder wordt afgewezen,

 

  Zie ook:

-        HvJ EU 27-01-2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia-arresten): volgens het Hof van Justitie moet Richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat een verkoper die – in die hoedanigheid – de consument een beding heeft opgelegd dat door de nationale rechter oneerlijk is verklaard en dus is vernietigd, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest;

-        WR 2021/103, waarin F. van den Hoek onder meer weergeeft welke argumenten vóór en tegen de door de kantonrechter aangenomen brede uitleg van de Dexia-arresten pleiten;

-        R.H.C. Jongeneel: ‘Europese civiele dogmatiek’, NJB 2021/1393, p. 1570-1571, waarin Jongeneel zich kritisch uitlaat over de Dexia-arresten.

 

Zie anders:

-        C.M.D.S. Pavillon & J.H.M. Spanjaard, ‘Civielrechtelijke sancties op oneerlijke bedingen’, NJB 2021/1392, p. 1562-1569, waarin de auteurs betogen dat een niet aan de rechter voorgelegd beding niet door hem kan worden beoordeeld.

 

Wenk

Het druist op het eerste gezicht tegen het rechtsgevoel in: een huurder die wegkomt met de door hem gepleegde wanprestatie. “Boosdoener’ is de Richtlijn 93/13 EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De kantonrechter overweegt in heldere bewoordingen waarom Richtlijn 93/13 EEG op de kwestie van toepassing is alsook dat de op 27 januari 2021 gewezen Dexia-arresten een dusdanig brede strekking hebben, dat de uitleg van de Richtlijn in die arresten van toepassing is op het onderhavige geval. En een dergelijk oordeel was er niet eerder. In het kort komt dat erop neer dat als sprake is van een oneerlijk beding er geen aanspraak op (daarvoor in de plaats komende) wettelijke schadevergoeding bestaat. Dat schuurt in dit geval, want verhuurder had geen beroep gedaan op de (door de kantonrechter oneerlijk geoordeelde) bedingen. Dat is volgens de kantonrechter evenwel niet nodig. Doel en strekking van de Richtlijn is immers dat oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten verdwijnen én dat professionele gebruikers daartoe worden aangespoord. Als het aan die professionele gebruiker wordt gelaten om in rechte geen beroep op het oneerlijke beding te doen, bestaat nog altijd de mogelijkheid dat de professionele gebruiker buiten rechte wél aanspraak maakt op het oneerlijke beding. Dat is in strijd met het afschrikwekkende karakter van de Richtlijn en moet worden ontmoedigd. De vraag is of dit oordeel proportioneel te noemen is. Ook Jongeneel (NJB 2021/1393) vraagt zich dit af. De huurder die toerekenbaar tekortschiet blijft immers straffeloos en belangen van de verhuurder kunnen in het geding komen. Uitgaande van de beschermingsgedachte van de Richtlijn voelt dit vonnis evenwel bevredigend aan, met in het achterhoofd dat de nationale rechter toepassing van de door het HvJ gegeven regel onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen achten. Daarmee kan in voorkomend geval wellicht een escape voor de verhuurder worden gecreëerd. Hoe dan ook is het devies aan verhuurders om zich de mogelijk vergaande consequenties bij het aangaan van huurovereenkomst goed te realiseren. Het enkele overeenkomen van algemene bepalingen met daarin oneerlijke bedingen kan leiden tot uitsluiting van wettelijke vangnetten. Dat geldt dan niet alleen voor de aanspraak op schadevergoeding, maar ook voor bijvoorbeeld de aanspraak op wettelijke rente op buitengerechtelijke kosten.

Deze samenvatting met wenk is gepubliceerd in het juridische tijdschrift Rechtspraak Vastgoedrecht.

Tamara ten Berge